Archive for Positief denken

Laten we het zo houden (totdat het te laat is)Let’s don’t change a thing

In de jaarlijkse lijst van de OECD (Organization for Economic Co-operation and Development) stond Nederland op de zesde plaats van de gelukkigste landen ter wereld. Dus we laten bijna 190 landen achter ons. Maar dan voornamelijk ontwikkelingslanden. Want gelukkige landen vinden we voornamelijk in het Westen.
Een van de gelukkigste landen ter wereld. Sta er maar eens bij stil. Maar is iedereen in Nederland gelukkig? Nee, er is nog een klein dorpje dat moedig weerstand biedt tegen zoveel geluk. Want hier (en ik hoef natuurlijk geen namen te noemen, vul hier gerust de naam van uw eigen woonplaats in) woont een bevolking die lijkt opgebouwd te zijn uit full-time kankeraars, mierenneukers en zure pis-kijkers. Jawel. Want laten we wel wezen: wat weten zij het toch altijd beter. Ze hebben allen een baan die een verantwoordelijkheid vraagt die zo’n beetje om het nulpunt draait (denk aan formuliertjes stempelen, koffie rondbrengen, dossiers luchten en dat soort neuzelzaken) maar men weet oh zo goed hoe de maatschappij zou moeten functioneren. En inderdaad vanuit hun, redelijk bekrompen sociaal-economisch denkkader, zou dat misschien ook zo werken. Helaas valt dat aan deze bevolking niet uit te leggen. Incompetente mensen kennen vaak de reikwijdte van hun eigen incompetentie niet.
Maar het meest griezelige komt nog: dit is wel de gegoede burgerij waar we het over hebben. Hier is onze maatschappij op gebouwd. De hoekstenen van de samenleving. De hoeders van de goede smaak, de waarden en normen. God helpe ons!
Nietzsche zei al dat degene die niet in staat is te bevelen, genoodzaakt is te gehoorzamen. Ik wil daaraan toevoegen: en als je niet wil gehoorzamen ga dan aan de bar hangen en zeiken. Veel zeiken.
Als ze ooit nog eens biogas kunnen halen uit de mentale diarree die dagelijks geproduceerd wordt, dan is de energiecrisis in een klap voorbij.
Maar, als de modelburgers die we zijn, blijven we netjes stemmen op de juiste partijen (en zijn daar trots op, want tenslotte is onze eigen mening de enige juiste). Als we kijken hoe het de laatste 150 jaar is gegaan met de Westerse Wereld en zijn gelukkige inwoners, en we bekijken de vruchten die het Westen ons heeft gegeven in de vorm van industrialisatie, ontbossing, armoedekloof, erosie, klimaatveranderingen, hongersnoden (maar gelukkig elders), aantasting van de ozonlaag, dan moeten we ons toch eens achter de oren krabben. Het Westen heeft de democratie hoog in het vaandel staan en heeft deze zaken wel opgeleverd. Dan kunnen we stellen dat de democratie als systeem (moreel en ethisch) niet deugt. In het Westen werkt democratie gebrekkig maar er is geen beter alternatief. In veel ontwikkelingslanden werkt democratie desastreus en is er wel een alternatief.
In plaats van alles bij het oude te houden, en alleen maar te klagen en te zeuren dat het zo slecht gaat, doe dan eens iets. Word vrijwilliger voor een goed doel, doneer aan Greenpeace, koop geen plofkippen meer. Maar alsjeblieft, alsjeblieft ga geen stukjes op internet schrijven en anderen vertellen wat ze zouden moeten doen.

Zoek me in de zomer

Als je me zoekt
dan zul je me vinden
tussen de kleuren van de mensen

Op de Markt
waar de vensters
tussen oude stenen
knipogen tegen de zon

Waar de glazen fonkelen
de luifels wapperen
talrijke gesprekken tegelijkertijd

Kinderen rennen
tussen tafeltjes
niet bang voor schaduwen
op klaarlichte dag

De wolken schuilen
achter het stadhuis
en gunnen ons de blauwe lucht

Wanneer de zon achter de Schuiven verdwijnt
en de vensters slapen gaan
dan slenteren we de lange weg
terug naar het begin

En ik vraag aan jou
Hebben onze ouders dit ook gedaan?
Hebben zij ook hier stil gestaan?

Hebben ze elkaar gezoend?
Hier op de hoek, of bij dit ijzeren hek?
Liepen ze hier hand in hand?
Liefde op de luie zomerlucht

Op de Markt
of ergens anders
dat maakt niet uit

De kleuren verdwijnen
in de nacht
Ik heb overal gezocht
en heb iets van mezelf gevonden

“ Ik heb geen stress!”, schreeuwde hij nonchalant

Een van de meest interessante vragen blijft toch wel of de kennis die we ooit op school, in een leslokaal, hebben opgedaan ook echt bruikbaar is in het echte leven. Of dat sommige zaken die we geleerd hebben ooit nog nuttig blijken te zijn.

Natuurlijk heb je zaken die puur praktisch zijn (auto’s besturen, een muurtje metselen of een wankel tafeltje rechtzetten) en puur filosofische, of academische zaken (vragen over leven en dood, het succes van de Harry Potter-reeks en lokale politiek).

Dan ga je je toch afvragen dat als je zoveel zaken hebt geleerd die eigenlijk helemaal niet nuttig bleken te zijn in het echte leven, jij dan toch ook niet de enige kan zijn? Bereidt het onderwijs ons wel genoeg voor op problemen die nooit behandeld zijn in een klaslokaal? Ach ja, men kan de schouders ophalen en denken dat er altijd wel experts zijn die weten waar ze mee bezig zijn. En dat vind ik dan weer een verontrustende gedachte. Wat als iedereen dat nu denkt? Inclusief de zogenaamde experts? Dan krijg je zo’n typische cirkel van vertrouwen: persoon A denkt dat persoon B het wel weet. Persoon B denkt dat persoon C het weet. En persoon C denkt dan dat persoon A alles onder controle heeft. Vervang gerust de personen door overheden, banken, ministers en psychologen.

Soms hoor je de experts verklaringen geven (meestal in het openbaar en dat maakt het dubbel zo erg) van gebeurtenissen die ze zelf niet voorspeld hadden en zelf niet hadden zien aankomen. Jawel, dan denken we natuurlijk aan de kredietcrisis. En ja, verklaringen genoeg. Maar allemaal achteraf.

Logisch ook, want zulke ernstige zaken zijn erg moeilijk te voorspellen. Net zoals elke crisis overigens. Ook in je persoonlijke leven. Een relatie die wordt verbroken, een auto ongeluk, of een serveerster die hete koffie in je schoot morst. Allemaal onverwachts, maar achteraf goed verklaarbaar.

Niks is 100% te voorspellen, maar het wordt makkelijker als iets al vaker is opgetreden. Hoe vaker iets in het verleden heeft plaatsgevonden, hoe meer informatie je hebt om een uitspraak te kunnen doen over wanneer het nog een keer zou kunnen gebeuren. Dat wil dus niet zeggen dat je, als je maar genoeg informatie hebt, kunt roepen dat het komende voetbalseizoen nog voorspelbaarder is dan het vorige.

En dan kom ik toch weer terug op de kredietcrisis. Waarom denken we dat het volgende keer niet meer gaat gebeuren? Simpel, omdat we ons baseren op de ervaringen uit het verleden. Daarom hebben de banken een stresstest opgericht. Deze geeft aan hoe sterk een bank zou staan als er weer een crisis optreedt.

Ja, ja.

En ze baseren zich dan ook op gegevens uit het verleden. Wat denken ze wel niet, die financiële experts? Als ze dezelfde stresstest hadden gedaan vlak voor de crisis, dan waren ze er allemaal florissant uitgekomen. Waarom? Omdat we nog nooit eerder een dergelijke financiële dip hadden meegemaakt! Dus waren we niet voorbereid en hadden we ook geen voorspelling kunnen doen. Of, zoals de experts het graag zeggen: de financiële modellen van persoon A, B of C klopten niet.

Een crisis zoals we net hebben gehad en waar we nu nog onze wonden van aan het likken zijn, is zo gigantisch zeldzaam dat we ze gewoonweg niet in kunnen schatten. Of te wel: hoe zeldzamer een gebeurtenis, hoe groter de fout die we maken bij inschattingen.

Na het bijna-faillisement van Griekenland gaan de banken de overheden meehelpen om te zorgen dat andere landen niet meer zo in de problemen kunnen komen. Weer iets wat nog nooit is gedaan, en waar dus niks over te zeggen valt wat daar de consequenties van zullen zijn.

Het is niet erg om grote risico’s te nemen op momenten waar de gevolgen niet groot zijn. Maar op andere momenten is voorzichtigheid geboden. En luister dan niet naar experts, maar naar je eigen gevoel en verstand. Dat zou je in de liefde toch ook doen? Of bij het bestellen van gloeiend hete koffie?

Een van de meest interessante vragen blijft toch wel of de kennis die we ooit op school, in een leslokaal, hebben opgedaan ook echt bruikbaar is in het echte leven. Of dat sommige zaken die we geleerd hebben ooit nog nuttig blijken te zijn.

Natuurlijk heb je zaken die puur praktisch zijn (auto’s besturen, een muurtje metselen of een wankel tafeltje rechtzetten) en puur filosofische, of academische zaken (vragen over leven en dood, het succes van de Harry Potter-reeks en lokale politiek).

Dan ga je je toch afvragen dat als je zoveel zaken hebt geleerd die eigenlijk helemaal niet nuttig bleken te zijn in het echte leven, jij dan toch ook niet de enige kan zijn? Bereidt het onderwijs ons wel genoeg voor op problemen die nooit behandeld zijn in een klaslokaal? Ach ja, men kan de schouders ophalen en denken dat er altijd wel experts zijn die weten waar ze mee bezig zijn. En dat vind ik dan weer een verontrustende gedachte. Wat als iedereen dat nu denkt? Inclusief de zogenaamde experts? Dan krijg je zo’n typische cirkel van vertrouwen: persoon A denkt dat persoon B het wel weet. Persoon B denkt dat persoon C het weet. En persoon C denkt dan dat persoon A alles onder controle heeft. Vervang gerust de personen door overheden, banken, ministers en psychologen.

Soms hoor je de experts verklaringen geven (meestal in het openbaar en dat maakt het dubbel zo erg) van gebeurtenissen die ze zelf niet voorspeld hadden en zelf niet hadden zien aankomen. Jawel, dan denken we natuurlijk aan de kredietcrisis. En ja, verklaringen genoeg. Maar allemaal achteraf.

Logisch ook, want zulke ernstige zaken zijn erg moeilijk te voorspellen. Net zoals elke crisis overigens. Ook in je persoonlijke leven. Een relatie die wordt verbroken, een auto ongeluk, of een serveerster die hete koffie in je schoot morst. Allemaal onverwachts, maar achteraf goed verklaarbaar.

Niks is 100% te voorspellen, maar het wordt makkelijker als iets al vaker is opgetreden. Hoe vaker iets in het verleden heeft plaatsgevonden, hoe meer informatie je hebt om een uitspraak te kunnen doen over wanneer het nog een keer zou kunnen gebeuren. Dat wil dus niet zeggen dat je, als je maar genoeg informatie hebt, kunt roepen dat het komende voetbalseizoen nog voorspelbaarder is dan het vorige.

En dan kom ik toch weer terug op de kredietcrisis. Waarom denken we dat het volgende keer niet meer gaat gebeuren? Simpel, omdat we ons baseren op de ervaringen uit het verleden. Daarom hebben de banken een stresstest opgericht. Deze geeft aan hoe sterk een bank zou staan als er weer een crisis optreedt.

Ja, ja.

En ze baseren zich dan ook op gegevens uit het verleden. Wat denken ze wel niet, die financiële experts? Als ze dezelfde stresstest hadden gedaan vlak voor de crisis, dan waren ze er allemaal florissant uitgekomen. Waarom? Omdat we nog nooit eerder een dergelijke financiële dip hadden meegemaakt! Dus waren we niet voorbereid en hadden we ook geen voorspelling kunnen doen. Of, zoals de experts het graag zeggen: de financiële modellen van persoon A, B of C klopten niet.

Een crisis zoals we net hebben gehad en waar we nu nog onze wonden van aan het likken zijn, is zo gigantisch zeldzaam dat we ze gewoonweg niet in kunnen schatten. Of te wel: hoe zeldzamer een gebeurtenis, hoe groter de fout die we maken bij inschattingen.

Na het bijna-faillisement van Griekenland gaan de banken de overheden meehelpen om te zorgen dat andere landen niet meer zo in de problemen kunnen komen. Weer iets wat nog nooit is gedaan, en waar dus niks over te zeggen valt wat daar de consequenties van zullen zijn.

Het is niet erg om grote risico’s te nemen op momenten waar de gevolgen niet groot zijn. Maar op andere momenten is voorzichtigheid geboden. En luister dan niet naar experts, maar naar je eigen gevoel en verstand. Dat zou je in de liefde toch ook doen? Of bij het bestellen van gloeiend hete koffie?

Grenzen

Mensen die vaker mijn blog hebben gelezen (en ik bedank ze alle drie hartelijk…) weten ongeveer wel wat ze hier kunnen verwachten. De ene keer grote onzin en de andere keer, eigenlijk ook grote onzin. Men behandelt mij en mijn blog dan ook zoals ouders hun lieve, maar toch ietwat achterlijke, kind behandelen: met veel geduld.

Maar deze keer gaat het anders. Jawel, deze keer gaan we voor diepzinnige filosofie. Voor de verandering. Niet iedereen zal dat kunnen waarderen. En niet iedereen zal dat kunnen begrijpen. Zoals met zoveel zaken kunnen we dus hier ook weer de scheiding maken tussen degenen die het snappen en degenen die het niet snappen. De begrijpenden en de niet-begrijpenden. De sukkels en de niet-sukkels.

Hoort u dat? Wat ik net deed? Ik trek een grens, een scheidslijn.

Meteen gooi ik er mijn stelling maar in: een grens is per definitie een potentiele strijdlijn. Alleen al het trekken van een grens houdt in dat men zich voorbereidt op een konflikt. En dan hoofdzakelijk het konflikt van de tegenstellingen. De strijd van het leven tegen de dood, genot tegen pijn, goed tegen kwaad, dichter tegenover rijmelaarij. Als men de vraag stelt: ‘waar trek ik de grens?’ bedoelt men eigenlijk:’waar gaat de strijd plaatsvinden?’

Hoe vaster de grenslijnen liggen, hoe heviger de strijd die gevoerd moet worden. Hoe meer ik me richt op genot, hoe banger ik ben voor pijn. Hoe meer ik tracht goed te doen, hoe meer ik geobsedeerd wordt door het kwaad. Hoe meer succes ik wil hebben, hoe erger de vrees om te falen. Hoe meer ik mij vastklamp aan het leven, hoe verschrikkelijker de dood voor mij wordt.

Normaal pakken we dit soort problemen aan door te proberen om een van de tegenstellingen uit te wissen. We pakken het probleem ‘goed tegenover kwaad’ aan door proberen het kwaad uit te roeien. We pakken het probleem ‘leven tegenover de dood’  aan door te proberen de dood te verbergen onder allerlei symbolische onsterfelijkheden. Maar als je probeert te kiezen tussen twee kwaaien, dan kies je nog altijd een kwaaie.

We beschouwen een grens als echt, om dan de tegenstellingen die door de grens zijn ontstaan proberen te manipuleren. Het bestaan van de grens wordt bijna nooit in twijfel gebracht.

Een paar voorbeelden wil ik graag noemen:

In de westerse wereld beschouwt men het als een feit, een echte grens, dat nieuwjaar op 1 januari valt. Maar hoe feitelijk is zo’n feit? Is er hier sprake van feit of fantasie? Bestaat er wel zoiets als ‘1 januari’ of ‘nieuwjaar’?

Zintuigelijk kunnen deze dingen niet waargenomen worden en we kunnen ook niet bewijzen dat ‘nieuwjaar’, buiten de afspraak die we gemaakt hebben, echt bestaat. Toch accepteren alle rationele mensen en sommige ambtenaren zo’n concept, zo’n grens als waarheid. De vraag wordt dus of het acceptabel is, dergelijke verzonnen afspraken als feiten te aanvaarden.

Als er geen relatie bestaat tussen wat mensen onderling afspreken en de feitelijkheid van de werkelijkheid, is het dan nog wel mogelijk een scherp onderscheid te maken tussen feit en fantasie?

Zo bestaan grenzen tussen landen op een soort overeenstemming over ficties, want grenzen tussen landen bestaan in de werkelijkheid niet. Hoe dik zouden die dan zijn? Een meter dik? Een potloodstreep dik? Een speldeknop dik?

Op die plekken waar de grens loopt is niets te zien wat er op zou wijzen dat we te maken hebben met grenzen.  Alleen als je op de hoogte bent van de lokaal geldende afspraken daarover, dan bestaan die grenzen.

Dus als we verzinsels voor waar gaan aannemen dan zijn we ervan overtuigd dat we Nederlander, Surinamer, of Belg zijn. Wat dan iets heel anders is dan het zijn van een Marokaan, Duitser of Argentijn.

Landen bestaan alleen in ons hoofd. De wereldbol is dus geen verzameling landen. Het is een bol met veel water en met hier en daar wat aarde. Niks bijzonders dus. Eigenlijk zo doodnormaal dat geleerden vermoeden dat de aarde al vele malen aan een invasie van buitenaardsen is ontsnapt, omdat het zo’n buitengewoon saaie plek is.

Maar goed, ik dwaal af.

We geloven dat grenzen (in de ruimste zin van het woord) echt bestaan. Grenzen scheiden de tegenstellingen, waarvan we denken dat ze onverenigbaar zijn en elkaar nooit kunnen ontmoeten. God en Satan, leven en dood, goed en kwaad, etc. etc.

We denken dat het allemaal veel beter zou gaan als we alle negatieve en ongewenste polen (en dan bedoel ik niet die mannen in een busje) konden uitwissen. Als we pijn, kwaad, dood, lijden en ziekte zouden overwinnen, dan zou er overal goedheid, leven, vreugde en gezondheid heersen.

Het doel van dit scheiden van de tegenstellingen en het vastklampen aan de positieve helft (of in ieder geval het daarnaar streven) lijkt een karaktertrek te zijn van de westerse beschaving; haar religie, wetenschap, geneeskunde en industrie. Vooruitgang is goed beschouwd alleen maar een vooruitgang naar het positieve en weg van het negatieve. Toch is er verbazingwekkend genoeg, ondanks alle grote uitvindingen in de geneeskunde en de landbouw, niet het minste bewijs dat we na eeuwenlang het positieve te hebben benadrukt en het elimineren van het negatieve dat de mensheid ook echt gelukkiger of tevredener is geworden of meer vrede met zichzelf heeft.

Eigenlijk zien we dat juist het tegenovergestelde. Het heden is het tijdperk van de angst, van alom aanwezige frustratie en vervreemding, van verveling temidden van overvloed en zinloosheid temidden van rijkdom.

Jaja beste mensen, weet ik wel hoe ik de stemming erin kan brengen.

Overigens als men het over ‘westerse beschaving’ heeft, dan denk ik altijd meteen: ja, dat lijkt me een goed idee.

Grenzen bestaan doordat we dingen namen gaan geven. Maar meer dan beschrijven en definieeren kun je de dingen niet. Maar wanneer je eenmaal die eerste grenzen zodanig hebt getrokken dat de wereld zich voordoet als een verzameling gescheiden dingen, dan kun je er vervolgens veel leukere dingen mee gaan doen.

Je kan ze gaan tellen. Namen geven an dingen geeft macht over ze, maar getallen hebben zelfs nog een hogere macht. Een peer plus een peer zijn twee peren, maar een appel plus een appel is ook twee appels. Het getal twee is dus van toepassing op elke groep van twee dingen en moet dus op een of andere manier boven die dingen staan. Door middel van abstrakte lukte het de mens zich te bevrijden van konkrete dingen. En dat willen we allemaal. Vraag het de eerste beste manager maar eens.

Met getallen kon de mens een nieuw soort grens maken. En met deze nieuwe grens van de abstrakte getallen kon men uitstijgen boven de konkrete en tastbare wereld. En sindsdien leven we in twee werelden. Het konkrete tegenover het abstrakte, het ideale tegenover het reele, het universele tegenover het bijzondere.

En we geven getallen veel meer macht dan ze verdienen. Nergens is dit zo duidelijk als in het ultieme domein van het getal: de statistiek.

Mark Twain zei het al: er zijn leugens, grove leugens en statistieken.

En toch staan de kranten er dagelijks vol van en vertrouwen we op de macht van enkele getalletjes. En we durven er niet aan te twijfelen, want het is allemaal wiskundig onderbouwt. Maar klopt het ook allemaal?

Om een paar voorbeelden te geven:

Statistisch gezien is de kans miraculeus klein dat je in je eigen kleine stadje je ‘soulmate’ of je liefde van je leven gaat vinden. Relatie-experts schatten de kans dat je iemand ontmoet, tijdens je leven, met wie je op alle vlakken verbintenis hebt, spiritueel, intellectueel en lichamelijk, op ongeveer 1 op 2.3 miljard. En toch vinden jaarlijks, zelfs in de kleinste dorpen, honderden mensen elkaar zo.

Maar statistieken zijn uit te leggen hoe je het zelf wilt; het is al langer bekend dat het aantal overvallen elk jaar meer wordt. Dat kan wel zo zijn, maar de *kwaliteit* van de overvallen wordt steeds minder! Alsof ze er steeds meer met een Jantje van Leijden van af proberen te maken!

Maar ik probeer nu ook iets belangrijks over te brengen, de clou van dit hele verhaal, als het ware.

Discussies over grenzen en over wat goed is en wat slecht, of wat fout is en wat is goed hebben meestal twee (en nogal wankele) uitersten. Aan de ene kant heb je de relativisten, de postmoderne theoretici, die beweren dat realiteit is wat je er zelf van maakt. We kunnen eigenlijk nooit ergens zeker van zijn, we moeten open blijven voor andere zienswijzen en we moeten bedacht zijn op elke vorm van vermeende authoriteit. De extreme versie van het relativisme rechtvaardigd allerlei vormen van paranormale toestanden, samenzweringstheorieen en andere ideeen die weinig of niet gesteund worden door bewijzen (aanhangers van dit soort extreme ideen zijn overigens ook vaak vrijgezel, al snappen ze zelf niet waarom).

En aan de andere kant hebben we de aanhangers van het absolutisme. Dat zijn degenen die erop hameren dat feiten, feiten zijn en dan we onze tijd niet moeten verdoen met zaken die twijfelen aan reeds aanwezige kennis. Het is bijvoorbeeld een feit dat de hoeveelheid onzinnige kennis die de mensheid heeft, elke drie jaar verdubbeld.

Zoals ik al aan het begin probeerde duidelijk te maken zijn alle grenzen slechts afspraken, waarin we zijn gaan geloven dat ze ook echt bestaan. Dus we moeten zoeken naar een gulden middenweg. De mens (althans, een groot gedeelte daarvan) is een sociaal wezen. Alles wat we weten over deze wereld, elk getal, elk woord dat we gebruiken, elke gedachte die bij ons ontspringt, wordt gevormd door ons sociale leven. Iedereen die een kind heeft zien opgroeien weet dat we allemaal taal hebben moeten leren, en al doende leerden we de manieren waarop onze cultuur de wereld in hokjes opdeelt. Onderhand hebben we wel geleerd (maar soms wensen we dat te vergeten) dat er een enorme culturele verscheidenheid bestaat, dus ook een enorme hoeveelheid verschillende manieren hoe de werkelijkheid wordt uitgelegd.

Elke cultuur heeft zo zijn ideeen waarom mensen ziek worden, hoe netjes jonge vrouwen zich moeten gedragen, waarom er een God is etc. etc. En elke cultuur gelooft dat zijn ideeen en verwachtingen de correcte en de juiste zijn.

Om de wereld met al zijn grenzen te begrijpen moeten we beseffen dat alle kennis die er bestaat gefilterd wordt door de bril van een cultuur. Kortom, er moet plaats zijn voor relativisme, naast koude, harde feiten in de vorm van getallen en nummers.

Ik zou nog uren door kunnen gaan over dit onderwerp, maar ik heb voor mezelf ook een grens gesteld. Dat is het maximum aantal woorden per blog. En daar mag ik niet overheen gaan. Het enige, maar wel het belangrijkste wat ik nog wil zeggen, is….

Mensen die vaker mijn blog hebben gelezen (en ik bedank ze alle drie hartelijk…) weten ongeveer wel wat ze hier kunnen verwachten. De ene keer grote onzin en de andere keer, eigenlijk ook grote onzin. Men behandelt mij en mijn blog dan ook zoals ouders hun lieve, maar toch ietwat achterlijke, kind behandelen: met veel geduld.

Maar deze keer gaat het anders. Jawel, deze keer gaan we voor diepzinnige filosofie. Voor de verandering. Niet iedereen zal dat kunnen waarderen. En niet iedereen zal dat kunnen begrijpen. Zoals met zoveel zaken kunnen we dus hier ook weer de scheiding maken tussen degenen die het snappen en degenen die het niet snappen. De begrijpenden en de niet-begrijpenden. De sukkels en de niet-sukkels.

Hoort u dat? Wat ik net deed? Ik trek een grens, een scheidslijn.

Meteen gooi ik er mijn stelling maar in: een grens is per definitie een potentiele strijdlijn. Alleen al het trekken van een grens houdt in dat men zich voorbereidt op een konflikt. En dan hoofdzakelijk het konflikt van de tegenstellingen. De strijd van het leven tegen de dood, genot tegen pijn, goed tegen kwaad, dichter tegenover rijmelaarij. Als men de vraag stelt: ‘waar trek ik de grens?’ bedoelt men eigenlijk:’waar gaat de strijd plaatsvinden?’

Hoe vaster de grenslijnen liggen, hoe heviger de strijd die gevoerd moet worden. Hoe meer ik me richt op genot, hoe banger ik ben voor pijn. Hoe meer ik tracht goed te doen, hoe meer ik geobsedeerd wordt door het kwaad. Hoe meer succes ik wil hebben, hoe erger de vrees om te falen. Hoe meer ik mij vastklamp aan het leven, hoe verschrikkelijker de dood voor mij wordt.

Normaal pakken we dit soort problemen aan door te proberen om een van de tegenstellingen uit te wissen. We pakken het probleem ‘goed tegenover kwaad’ aan door proberen het kwaad uit te roeien. We pakken het probleem ‘leven tegenover de dood’  aan door te proberen de dood te verbergen onder allerlei symbolische onsterfelijkheden. Maar als je probeert te kiezen tussen twee kwaaien, dan kies je nog altijd een kwaaie.

We beschouwen een grens als echt, om dan de tegenstellingen die door de grens zijn ontstaan proberen te manipuleren. Het bestaan van de grens wordt bijna nooit in twijfel gebracht.

Een paar voorbeelden wil ik graag noemen:

In de westerse wereld beschouwt men het als een feit, een echte grens, dat nieuwjaar op 1 januari valt. Maar hoe feitelijk is zo’n feit? Is er hier sprake van feit of fantasie? Bestaat er wel zoiets als ‘1 januari’ of ‘nieuwjaar’?

Zintuigelijk kunnen deze dingen niet waargenomen worden en we kunnen ook niet bewijzen dat ‘nieuwjaar’, buiten de afspraak die we gemaakt hebben, echt bestaat. Toch accepteren alle rationele mensen en sommige ambtenaren zo’n concept, zo’n grens als waarheid. De vraag wordt dus of het acceptabel is, dergelijke verzonnen afspraken als feiten te aanvaarden.

Als er geen relatie bestaat tussen wat mensen onderling afspreken en de feitelijkheid van de werkelijkheid, is het dan nog wel mogelijk een scherp onderscheid te maken tussen feit en fantasie?

Zo bestaan grenzen tussen landen op een soort overeenstemming over ficties, want grenzen tussen landen bestaan in de werkelijkheid niet. Hoe dik zouden die dan zijn? Een meter dik? Een potloodstreep dik? Een speldeknop dik?

Op die plekken waar de grens loopt is niets te zien wat er op zou wijzen dat we te maken hebben met grenzen.  Alleen als je op de hoogte bent van de lokaal geldende afspraken daarover, dan bestaan die grenzen.

Dus als we verzinsels voor waar gaan aannemen dan zijn we ervan overtuigd dat we Nederlander, Surinamer, of Belg zijn. Wat dan iets heel anders is dan het zijn van een Marokaan, Duitser of Argentijn.

Landen bestaan alleen in ons hoofd. De wereldbol is dus geen verzameling landen. Het is een bol met veel water en met hier en daar wat aarde. Niks bijzonders dus. Eigenlijk zo doodnormaal dat geleerden vermoeden dat de aarde al vele malen aan een invasie van buitenaardsen is ontsnapt, omdat het zo’n buitengewoon saaie plek is.

Maar goed, ik dwaal af.

We geloven dat grenzen (in de ruimste zin van het woord) echt bestaan. Grenzen scheiden de tegenstellingen, waarvan we denken dat ze onverenigbaar zijn en elkaar nooit kunnen ontmoeten. God en Satan, leven en dood, goed en kwaad, etc. etc.

We denken dat het allemaal veel beter zou gaan als we alle negatieve en ongewenste polen (en dan bedoel ik niet die mannen in een busje) konden uitwissen. Als we pijn, kwaad, dood, lijden en ziekte zouden overwinnen, dan zou er overal goedheid, leven, vreugde en gezondheid heersen.

Het doel van dit scheiden van de tegenstellingen en het vastklampen aan de positieve helft (of in ieder geval het daarnaar streven) lijkt een karaktertrek te zijn van de westerse beschaving; haar religie, wetenschap, geneeskunde en industrie. Vooruitgang is goed beschouwd alleen maar een vooruitgang naar het positieve en weg van het negatieve. Toch is er verbazingwekkend genoeg, ondanks alle grote uitvindingen in de geneeskunde en de landbouw, niet het minste bewijs dat we na eeuwenlang het positieve te hebben benadrukt en het elimineren van het negatieve dat de mensheid ook echt gelukkiger of tevredener is geworden of meer vrede met zichzelf heeft.

Eigenlijk zien we dat juist het tegenovergestelde. Het heden is het tijdperk van de angst, van alom aanwezige frustratie en vervreemding, van verveling temidden van overvloed en zinloosheid temidden van rijkdom.

Jaja beste mensen, weet ik wel hoe ik de stemming erin kan brengen.

Overigens als men het over ‘westerse beschaving’ heeft, dan denk ik altijd meteen: ja, dat lijkt me een goed idee.

Grenzen bestaan doordat we dingen namen gaan geven. Maar meer dan beschrijven en definieeren kun je de dingen niet. Maar wanneer je eenmaal die eerste grenzen zodanig hebt getrokken dat de wereld zich voordoet als een verzameling gescheiden dingen, dan kun je er vervolgens veel leukere dingen mee gaan doen.

Je kan ze gaan tellen. Namen geven an dingen geeft macht over ze, maar getallen hebben zelfs nog een hogere macht. Een peer plus een peer zijn twee peren, maar een appel plus een appel is ook twee appels. Het getal twee is dus van toepassing op elke groep van twee dingen en moet dus op een of andere manier boven die dingen staan. Door middel van abstrakte lukte het de mens zich te bevrijden van konkrete dingen. En dat willen we allemaal. Vraag het de eerste beste manager maar eens.

Met getallen kon de mens een nieuw soort grens maken. En met deze nieuwe grens van de abstrakte getallen kon men uitstijgen boven de konkrete en tastbare wereld. En sindsdien leven we in twee werelden. Het konkrete tegenover het abstrakte, het ideale tegenover het reele, het universele tegenover het bijzondere.

En we geven getallen veel meer macht dan ze verdienen. Nergens is dit zo duidelijk als in het ultieme domein van het getal: de statistiek.

Mark Twain zei het al: er zijn leugens, grove leugens en statistieken.

En toch staan de kranten er dagelijks vol van en vertrouwen we op de macht van enkele getalletjes. En we durven er niet aan te twijfelen, want het is allemaal wiskundig onderbouwt. Maar klopt het ook allemaal?

Om een paar voorbeelden te geven:

Statistisch gezien is de kans miraculeus klein dat je in je eigen kleine stadje je ‘soulmate’ of je liefde van je leven gaat vinden. Relatie-experts schatten de kans dat je iemand ontmoet, tijdens je leven, met wie je op alle vlakken verbintenis hebt, spiritueel, intellectueel en lichamelijk, op ongeveer 1 op 2.3 miljard. En toch vinden jaarlijks, zelfs in de kleinste dorpen, honderden mensen elkaar zo.

Maar statistieken zijn uit te leggen hoe je het zelf wilt; het is al langer bekend dat het aantal overvallen elk jaar meer wordt. Dat kan wel zo zijn, maar de *kwaliteit* van de overvallen wordt steeds minder! Alsof ze er steeds meer met een Jantje van Leijden van af proberen te maken!

Maar ik probeer nu ook iets belangrijks over te brengen, de clou van dit hele verhaal, als het ware.

Discussies over grenzen en over wat goed is en wat slecht, of wat fout is en wat is goed hebben meestal twee (en nogal wankele) uitersten. Aan de ene kant heb je de relativisten, de postmoderne theoretici, die beweren dat realiteit is wat je er zelf van maakt. We kunnen eigenlijk nooit ergens zeker van zijn, we moeten open blijven voor andere zienswijzen en we moeten bedacht zijn op elke vorm van vermeende authoriteit. De extreme versie van het relativisme rechtvaardigd allerlei vormen van paranormale toestanden, samenzweringstheorieen en andere ideeen die weinig of niet gesteund worden door bewijzen (aanhangers van dit soort extreme ideen zijn overigens ook vaak vrijgezel, al snappen ze zelf niet waarom).

En aan de andere kant hebben we de aanhangers van het absolutisme. Dat zijn degenen die erop hameren dat feiten, feiten zijn en dan we onze tijd niet moeten verdoen met zaken die twijfelen aan reeds aanwezige kennis. Het is bijvoorbeeld een feit dat de hoeveelheid onzinnige kennis die de mensheid heeft, elke drie jaar verdubbeld.

Zoals ik al aan het begin probeerde duidelijk te maken zijn alle grenzen slechts afspraken, waarin we zijn gaan geloven dat ze ook echt bestaan. Dus we moeten zoeken naar een gulden middenweg. De mens (althans, een groot gedeelte daarvan) is een sociaal wezen. Alles wat we weten over deze wereld, elk getal, elk woord dat we gebruiken, elke gedachte die bij ons ontspringt, wordt gevormd door ons sociale leven. Iedereen die een kind heeft zien opgroeien weet dat we allemaal taal hebben moeten leren, en al doende leerden we de manieren waarop onze cultuur de wereld in hokjes opdeelt. Onderhand hebben we wel geleerd (maar soms wensen we dat te vergeten) dat er een enorme culturele verscheidenheid bestaat, dus ook een enorme hoeveelheid verschillende manieren hoe de werkelijkheid wordt uitgelegd.

Elke cultuur heeft zo zijn ideeen waarom mensen ziek worden, hoe netjes jonge vrouwen zich moeten gedragen, waarom er een God is etc. etc. En elke cultuur gelooft dat zijn ideeen en verwachtingen de correcte en de juiste zijn.

Om de wereld met al zijn grenzen te begrijpen moeten we beseffen dat alle kennis die er bestaat gefilterd wordt door de bril van een cultuur. Kortom, er moet plaats zijn voor relativisme, naast koude, harde feiten in de vorm van getallen en nummers.

Ik zou nog uren door kunnen gaan over dit onderwerp, maar ik heb voor mezelf ook een grens gesteld. Dat is het maximum aantal woorden per blog. En daar mag ik niet overheen gaan. Het enige, maar wel het belangrijkste wat ik nog wil zeggen, is….

Toevalligheden, of niet..?

Soms moet je eens stilstaan bij het feit hoe je nu precies gekomen bent, waar je nu bent.
Wellicht ben je getrouwd met kinderen, of je bent (nog) vrijgezel of je hebt een succesvol bedrijf etc. etc.
En ga nu eens terug in je geheugen en probeer eens op te diepen welke reeks gebeurtenissen ervoor verantwoordelijk waren dat je nu, op deze manier, hier bent. Bewuste keuzes? Toevalligheden? Kijk, als je goed terecht bent gekomen en het gaat allemaal voorspoedig met je dan is het verleidelijk om te zeggen dat je het allemaal zelf voor elkaar hebt gebokst. Door de juiste beslissingen te nemen, door de goede dingen te doen.
Maar het is eigenlijk jezelf voor de gek houden, nietwaar beste lezer?
Misschien ben je wel getrouwd met de mooiste vrouw die je je maar voor kunt stellen. Maar hoe heb je haar (of hem, het gaat even om het principe! ;-) ) ontmoet?
In een cafe? Op de sportclub? Via vrienden? En wat was er gebeurd als je net die ene avond daar niet was geweest? Wat dan? Als je 10 minuten later was vertrokken van huis?
Vragen, vragen, vragen.
Eigenlijk is elke minuut (of een nog kleiner deel van de tijd, zo u wilt) een tweesprong. Ga ik links- of rechtsaf? Doe ik het wel of niet?
En met elke beslissing (hoe klein ook) veranderen we onze toekomst.
Is het dan niet heeeeeeel erg arrogant om te zeggen dat je ergens gekomen bent omdat je de goede beslissingen hebt genomen? Als elke moment belangrijk is, hoe weet je dan welk moment beslissend is geweest?
Dat weten we niet. Onze hersentjes kunnen nooit alle informatie bevatten die nodig is om goede keuzes te maken (dit laatste is overigens niet mijn eigen vondst. Ooit eens ergens gelezen, maar ik ben vergeten waar en van wie het was. Oh ironie!).
Dus slaap zacht. De toekomst is aan jezelf, maar blijft voor altijd in het ongewisse.

Soms moet je eens stilstaan bij het feit hoe je nu precies gekomen bent, waar je nu bent.
Wellicht ben je getrouwd met kinderen, of je bent (nog) vrijgezel of je hebt een succesvol bedrijf etc. etc.
En ga nu eens terug in je geheugen en probeer eens op te diepen welke reeks gebeurtenissen ervoor verantwoordelijk waren dat je nu, op deze manier, hier bent. Bewuste keuzes? Toevalligheden? Kijk, als je goed terecht bent gekomen en het gaat allemaal voorspoedig met je dan is het verleidelijk om te zeggen dat je het allemaal zelf voor elkaar hebt gebokst. Door de juiste beslissingen te nemen, door de goede dingen te doen.
Maar het is eigenlijk jezelf voor de gek houden, nietwaar beste lezer?
Misschien ben je wel getrouwd met de mooiste vrouw die je je maar voor kunt stellen. Maar hoe heb je haar (of hem, het gaat even om het principe! ;-) ) ontmoet?
In een cafe? Op de sportclub? Via vrienden? En wat was er gebeurd als je net die ene avond daar niet was geweest? Wat dan? Als je 10 minuten later was vertrokken van huis?
Vragen, vragen, vragen.
Eigenlijk is elke minuut (of een nog kleiner deel van de tijd, zo u wilt) een tweesprong. Ga ik links- of rechtsaf? Doe ik het wel of niet?
En met elke beslissing (hoe klein ook) veranderen we onze toekomst.
Is het dan niet heeeeeeel erg arrogant om te zeggen dat je ergens gekomen bent omdat je de goede beslissingen hebt genomen? Als elke moment belangrijk is, hoe weet je dan welk moment beslissend is geweest?
Dat weten we niet. Onze hersentjes kunnen nooit alle informatie bevatten die nodig is om goede keuzes te maken (dit laatste is overigens niet mijn eigen vondst. Ooit eens ergens gelezen, maar ik ben vergeten waar en van wie het was. Oh ironie!).
Dus slaap zacht. De toekomst is aan jezelf, maar blijft voor altijd in het ongewisse.