Een kerstverhaal om in de stemming te komen…

‘Een kerstverhaal om alvast in de stemming te komen’

Ik kan het me nog herinneren als de dag van gisteren. Ik was nog jong en onervaren en ik stond samen met Toon aan het front. Het was een zware, zware strijd. Ik weet niet of mensen zich nog de prijzenoorlog van 2004-2005 kunnen herinneren? De supermarkten gooiden toen allerlei aanbiedingen in de strijd en wij, wij zaten er middenin. We hadden ons ingegraven en wachten af op de dingen die komen gingen. Ja, mensen. Dat was een onzekere tijd.
En die avond, ik weet het nog goed, hield ik wacht. En ik zie nog Toon die avond op me afstappen, strompelend met zijn houten been (die had ‘ie namelijk een paar dagen eerder ergens gevonden en die nam hij nu overal mee naar toe).
‘Alles rustig?’ vroeg Toon.
‘Alles rustig, ‘ zei ik.
‘Ik sta gewoon versteld, hoe rustig, ‘ zei Toon al zittend.
‘Ik word er stil van,’ zei ik hardop.
We zwegen veelbetekend. Het landschap lag er vredig bij. De zacht glooiende heuvels met hun glinsterende sneeuw. De beekjes die lieflijk naar de horizon stroomden en waar de herten kwamen om te drinken. De boeren die nog met paard en wagen over zandpaadjes hobbelden. Als je dan bedenkt dat het midden in de nacht was en aardedonker en je hier helemaal niks van kon zien, dan kunt u begrijpen wat een mooie aanblik dit geweest zou kunnen zijn.
‘Weet je wat, ‘ zei Toon ineens. ‘Eigenlijk staan we hier onze tijd helemaal te verdoen. Wij zijn gewoon voorbestemd voor grotere dingen.’
Ik wist wat er nu ging komen. Toon kon af en toe zulke mooie dingen zeggen ineens. En hij zei het altijd zo… zo… zo vol vuur, vol innerlijk licht. Met een grandioze overtuigingskracht. En af en toe ook met passie.
‘Je moet altijd streven naar het hoogst haalbare. Neem nooit genoegen met minder. Probeer altijd jezelf te overtreffen. Streef naar het allerhoogste, het allergrootste.
Want heb je ooit wel eens gehoord van Alexander de Gemiddelde?’
‘Nee, niet echt, ‘ zei ik.
‘Wacht even, dan roep ik hem.’
‘Alexander!’
Toon’s stem schalde door de nacht. ‘Alexander!’
We hoorden gestommel en vanuit het donker kwam iemand aangelopen. Het was een boom van kerel, als hij niet zo klein was geweest.
‘Ja?’ vroeg hij. ‘Riep er iemand?’
‘Kijk, ‘ zei Toon en wendde zich tot mij. ‘We moeten boven onszelf uitstijgen. En omdat het deze maand december is, vind ik dat we iets bijzonders moeten gaan doen. We gaan dit jaar iets speciaals doen. Ik weet alleen nog niet wat.’
‘En wat heeft dat met Alexander te maken? ‘ vroeg ik.
‘Wie?’ vroeg Toon. Dat was ook iets wat ik van Toon had geleerd: als je bepaalde zaken negeert, dan zijn ze er ook gewoon niet. Ik keek om me heen en inderdaad, Alexander de Gemiddelde was nergens meer te bekennen.
‘Zoals je weet, ‘ ging Toon verder terwijl hij wat pruimtabak uit een bakje met zever haalde. ‘Zoals je weet is kerstmis een heidens feest. Dat weten we allemaal. Dus dit jaar gaan we kerstmis, volgens het boekje vieren.’
Toon nam een hap pruimtabak en spuugde het meteen met een vies gezicht op de grond. Pruimtabak is namelijk erg smerig.
‘We hebben versieringen voor in de kerstboom. Nu alleen nog een boom. Kom, we gaan naar de hei en zoeken daar een mooie den uit. Een heiden. En dan hebben we dit jaar een authentiek heidens feest.’
‘Ik vind dat we nu meteen moeten gaan. Komop, we pakken de fiets.’
Even later kwam Toon met de auto aangereden en ik sprong achterop.
Na een erg ongemakkelijk rit van 45 minuten (het hadden ook drie kwartier kunnen zijn), kwamen we aan, op de hei. Op zoek naar een heiden.
Het duurde niet lang of we zagen een gaaf exemplaar. Toon haalde een forse bijl uit zijn binnenzak. ‘Hij is wel wat bot,’ zei hij. ‘Maar hier moet het mee lukken.’
Direct begon hij met enorme energie tegen de boom aan te beuken. Hij beukte en beukte en beukte. En toen hij even later de bijl erbij pakte, leek het zelfs beter te gaan. Maar Toon had gelijk. De bijl was bijzonder bot. En na een klein half uur waren alle spaanders nog heel. Maar Toon ging gewoon door. En weer een half uur later was er zelfs nog geen deukje in de stam gekomen. Maar Toon wist niet van ophouden en het begon na verloop van tijd duidelijk te worden dat we wel erg gevaarlijk dicht bij het ogenblik zouden komen dat de den niet om ging.
‘Ik weet het even niet meer, ‘ hijgde Toon uit. ‘In mijn eentje gaat ik het niet redden,’ zei hij.
‘Heb jij soms iets waarmee we de zaak kunnen bespoedigen?’
Ik zocht naarstig in de zakken van mijn jas. ‘Alles wat ik bij heb is een tandenborstel,’ zei ik.
‘Die is net zo bot als mijn bijl, ‘ zei Toon. ‘Maar dan gaat het wel twee keer zo snel.’
‘Als jij daar begint, en ik daar dan ontmoeten we elkaar in het midden.’
Zo gezegd, zo gedaan. Met hernieuwde moed begonnen we de stam te bewerken. En het duurde lang, lang, erg lang maar uiteindelijk zagen we dat we vorderingen maakten. Wellicht gingen er enkele dagen overheen maar uiteindelijk ontmoeten we elkaar in het midden. We schudden elkaar de hand.
‘Toon is de naam, ‘ zei Toon. Ook ik stelde me voor.
‘Weet je wat het is met dat harde werk, ‘ zei Toon. ‘Ik krijg er dorst van.’
‘Ik snap wat je bedoelt, ‘ zei ik. ‘We kunnen daar wat gaan drinken.’ Ik wees naar een cafe een klein eindje verderop. Het viel ons nu pas op want we hadden het bij aankomst helemaal genegeerd.
Binnen was het gezellig druk want mensen kwamen van heidennen en verre hiernaar toe. We vonden een tafeltje aan het raam waar we uitzicht hadden op een ander raam. Een serveerster kwam naar ons toe.
‘Zegt u het maar,’ zei ze.
‘Doe maar twee pilsjes,’ zei Toon.
‘En wat wilt u drinken,’ vroeg ze aan mij.
‘Doe mij maar hetzelfde.’
‘Jaja,’ zei Toon. ‘Straks met onze heiden weer terug naar het front. Daar de boom optuigen en dan kunnen we eindelijk kerstmis gaan vieren. We moeten natuurlijk wel oppassen met vuur, want zo’n droge den staat zo in de fik. En je weet het,’ ging Toon verder. ‘Je moet nooit wegrennen van vuur want dat is toch altijd veel te snel. Oh nee, dat is met beren.’
‘Maar dat is niet belangrijk. Komop, we gaan terug en dan zijn we op tijd voor het eten terug.’
De rit terug was net zo ongemakkelijk als de heenreis. Omdat Toon harder reed dan was toegestaan, maande een toevallig passerende agent ons tot stoppen.
‘U rijdt echt veel te hard,’ sprak de agent Toon vermanend toe.
‘Sorry mevrouw, ‘ zei Toon. ‘Maar we hebben haast want we willen deze heiden thuis brengen. Het is bijna kerstmis weet u wel.’
De agent lachte in zijn baard. ‘Ik snap het,’ zei hij. ‘Maar ik zou het op prijs stellen als u toch even uw auto tot stilstand wilt brengen.’
Uiteindelijk stemde Toon toe en parkeerde de auto tegen een boom. Het oponthoud duurde niet lang. De agent slingerde ons op de bon, maar het bleken kortingsbonnen dus het viel al met al wel mee.
De heiden kwam aan het front te staan met kerstballen, engelenhaar, lichtjes en een biologisch afbreekbare kerstman.
Toon werd er helemaal stil van. En ik viel ook helemaal stil. Maar dat kwam voornamelijk omdat ik verkouden was geworden van de reis. Toon zei het al: je moet nooit iets gaan schrijven met een hoofd vol snot. Daar worden de verhalen alleen maar langdradig van.
Dus ik hield mijn mond wijselijk dicht. En dat zouden eigenlijk meer schrijvers van dit soort stukjes moeten doen…

‘Een kerstverhaal om alvast in de stemming te komen’

Ik kan het me nog herinneren als de dag van gisteren. Ik was nog jong en onervaren en ik stond samen met Toon aan het front. Het was een zware, zware strijd. Ik weet niet of mensen zich nog de prijzenoorlog van 2004-2005 kunnen herinneren? De supermarkten gooiden toen allerlei aanbiedingen in de strijd en wij, wij zaten er middenin. We hadden ons ingegraven en wachten af op de dingen die komen gingen. Ja, mensen. Dat was een onzekere tijd.
En die avond, ik weet het nog goed, hield ik wacht. En ik zie nog Toon die avond op me afstappen, strompelend met zijn houten been (die had ‘ie namelijk een paar dagen eerder ergens gevonden en die nam hij nu overal mee naar toe).
‘Alles rustig?’ vroeg Toon.
‘Alles rustig, ‘ zei ik.
‘Ik sta gewoon versteld, hoe rustig, ‘ zei Toon al zittend.
‘Ik word er stil van,’ zei ik hardop.
We zwegen veelbetekend. Het landschap lag er vredig bij. De zacht glooiende heuvels met hun glinsterende sneeuw. De beekjes die lieflijk naar de horizon stroomden en waar de herten kwamen om te drinken. De boeren die nog met paard en wagen over zandpaadjes hobbelden. Als je dan bedenkt dat het midden in de nacht was en aardedonker en je hier helemaal niks van kon zien, dan kunt u begrijpen wat een mooie aanblik dit geweest zou kunnen zijn.
‘Weet je wat, ‘ zei Toon ineens. ‘Eigenlijk staan we hier onze tijd helemaal te verdoen. Wij zijn gewoon voorbestemd voor grotere dingen.’
Ik wist wat er nu ging komen. Toon kon af en toe zulke mooie dingen zeggen ineens. En hij zei het altijd zo… zo… zo vol vuur, vol innerlijk licht. Met een grandioze overtuigingskracht. En af en toe ook met passie.
‘Je moet altijd streven naar het hoogst haalbare. Neem nooit genoegen met minder. Probeer altijd jezelf te overtreffen. Streef naar het allerhoogste, het allergrootste.
Want heb je ooit wel eens gehoord van Alexander de Gemiddelde?’
‘Nee, niet echt, ‘ zei ik.
‘Wacht even, dan roep ik hem.’
‘Alexander!’
Toon’s stem schalde door de nacht. ‘Alexander!’
We hoorden gestommel en vanuit het donker kwam iemand aangelopen. Het was een boom van kerel, als hij niet zo klein was geweest.
‘Ja?’ vroeg hij. ‘Riep er iemand?’
‘Kijk, ‘ zei Toon en wendde zich tot mij. ‘We moeten boven onszelf uitstijgen. En omdat het deze maand december is, vind ik dat we iets bijzonders moeten gaan doen. We gaan dit jaar iets speciaals doen. Ik weet alleen nog niet wat.’
‘En wat heeft dat met Alexander te maken? ‘ vroeg ik.
‘Wie?’ vroeg Toon. Dat was ook iets wat ik van Toon had geleerd: als je bepaalde zaken negeert, dan zijn ze er ook gewoon niet. Ik keek om me heen en inderdaad, Alexander de Gemiddelde was nergens meer te bekennen.
‘Zoals je weet, ‘ ging Toon verder terwijl hij wat pruimtabak uit een bakje met zever haalde. ‘Zoals je weet is kerstmis een heidens feest. Dat weten we allemaal. Dus dit jaar gaan we kerstmis, volgens het boekje vieren.’
Toon nam een hap pruimtabak en spuugde het meteen met een vies gezicht op de grond. Pruimtabak is namelijk erg smerig.
‘We hebben versieringen voor in de kerstboom. Nu alleen nog een boom. Kom, we gaan naar de hei en zoeken daar een mooie den uit. Een heiden. En dan hebben we dit jaar een authentiek heidens feest.’
‘Ik vind dat we nu meteen moeten gaan. Komop, we pakken de fiets.’
Even later kwam Toon met de auto aangereden en ik sprong achterop.
Na een erg ongemakkelijk rit van 45 minuten (het hadden ook drie kwartier kunnen zijn), kwamen we aan, op de hei. Op zoek naar een heiden.
Het duurde niet lang of we zagen een gaaf exemplaar. Toon haalde een forse bijl uit zijn binnenzak. ‘Hij is wel wat bot,’ zei hij. ‘Maar hier moet het mee lukken.’
Direct begon hij met enorme energie tegen de boom aan te beuken. Hij beukte en beukte en beukte. En toen hij even later de bijl erbij pakte, leek het zelfs beter te gaan. Maar Toon had gelijk. De bijl was bijzonder bot. En na een klein half uur waren alle spaanders nog heel. Maar Toon ging gewoon door. En weer een half uur later was er zelfs nog geen deukje in de stam gekomen. Maar Toon wist niet van ophouden en het begon na verloop van tijd duidelijk te worden dat we wel erg gevaarlijk dicht bij het ogenblik zouden komen dat de den niet om ging.
‘Ik weet het even niet meer, ‘ hijgde Toon uit. ‘In mijn eentje gaat ik het niet redden,’ zei hij.
‘Heb jij soms iets waarmee we de zaak kunnen bespoedigen?’
Ik zocht naarstig in de zakken van mijn jas. ‘Alles wat ik bij heb is een tandenborstel,’ zei ik.
‘Die is net zo bot als mijn bijl, ‘ zei Toon. ‘Maar dan gaat het wel twee keer zo snel.’
‘Als jij daar begint, en ik daar dan ontmoeten we elkaar in het midden.’
Zo gezegd, zo gedaan. Met hernieuwde moed begonnen we de stam te bewerken. En het duurde lang, lang, erg lang maar uiteindelijk zagen we dat we vorderingen maakten. Wellicht gingen er enkele dagen overheen maar uiteindelijk ontmoeten we elkaar in het midden. We schudden elkaar de hand.
‘Toon is de naam, ‘ zei Toon. Ook ik stelde me voor.
‘Weet je wat het is met dat harde werk, ‘ zei Toon. ‘Ik krijg er dorst van.’
‘Ik snap wat je bedoelt, ‘ zei ik. ‘We kunnen daar wat gaan drinken.’ Ik wees naar een cafe een klein eindje verderop. Het viel ons nu pas op want we hadden het bij aankomst helemaal genegeerd.
Binnen was het gezellig druk want mensen kwamen van heidennen en verre hiernaar toe. We vonden een tafeltje aan het raam waar we uitzicht hadden op een ander raam. Een serveerster kwam naar ons toe.
‘Zegt u het maar,’ zei ze.
‘Doe maar twee pilsjes,’ zei Toon.
‘En wat wilt u drinken,’ vroeg ze aan mij.
‘Doe mij maar hetzelfde.’
‘Jaja,’ zei Toon. ‘Straks met onze heiden weer terug naar het front. Daar de boom optuigen en dan kunnen we eindelijk kerstmis gaan vieren. We moeten natuurlijk wel oppassen met vuur, want zo’n droge den staat zo in de fik. En je weet het,’ ging Toon verder. ‘Je moet nooit wegrennen van vuur want dat is toch altijd veel te snel. Oh nee, dat is met beren.’
‘Maar dat is niet belangrijk. Komop, we gaan terug en dan zijn we op tijd voor het eten terug.’
De rit terug was net zo ongemakkelijk als de heenreis. Omdat Toon harder reed dan was toegestaan, maande een toevallig passerende agent ons tot stoppen.
‘U rijdt echt veel te hard,’ sprak de agent Toon vermanend toe.
‘Sorry mevrouw, ‘ zei Toon. ‘Maar we hebben haast want we willen deze heiden thuis brengen. Het is bijna kerstmis weet u wel.’
De agent lachte in zijn baard. ‘Ik snap het,’ zei hij. ‘Maar ik zou het op prijs stellen als u toch even uw auto tot stilstand wilt brengen.’
Uiteindelijk stemde Toon toe en parkeerde de auto tegen een boom. Het oponthoud duurde niet lang. De agent slingerde ons op de bon, maar het bleken kortingsbonnen dus het viel al met al wel mee.
De heiden kwam aan het front te staan met kerstballen, engelenhaar, lichtjes en een biologisch afbreekbare kerstman.
Toon werd er helemaal stil van. En ik viel ook helemaal stil. Maar dat kwam voornamelijk omdat ik verkouden was geworden van de reis. Toon zei het al: je moet nooit iets gaan schrijven met een hoofd vol snot. Daar worden de verhalen alleen maar langdradig van.
Dus ik hield mijn mond wijselijk dicht. En dat zouden eigenlijk meer schrijvers van dit soort stukjes moeten doen…