Grenzen

Mensen die vaker mijn blog hebben gelezen (en ik bedank ze alle drie hartelijk…) weten ongeveer wel wat ze hier kunnen verwachten. De ene keer grote onzin en de andere keer, eigenlijk ook grote onzin. Men behandelt mij en mijn blog dan ook zoals ouders hun lieve, maar toch ietwat achterlijke, kind behandelen: met veel geduld.

Maar deze keer gaat het anders. Jawel, deze keer gaan we voor diepzinnige filosofie. Voor de verandering. Niet iedereen zal dat kunnen waarderen. En niet iedereen zal dat kunnen begrijpen. Zoals met zoveel zaken kunnen we dus hier ook weer de scheiding maken tussen degenen die het snappen en degenen die het niet snappen. De begrijpenden en de niet-begrijpenden. De sukkels en de niet-sukkels.

Hoort u dat? Wat ik net deed? Ik trek een grens, een scheidslijn.

Meteen gooi ik er mijn stelling maar in: een grens is per definitie een potentiele strijdlijn. Alleen al het trekken van een grens houdt in dat men zich voorbereidt op een konflikt. En dan hoofdzakelijk het konflikt van de tegenstellingen. De strijd van het leven tegen de dood, genot tegen pijn, goed tegen kwaad, dichter tegenover rijmelaarij. Als men de vraag stelt: ‘waar trek ik de grens?’ bedoelt men eigenlijk:’waar gaat de strijd plaatsvinden?’

Hoe vaster de grenslijnen liggen, hoe heviger de strijd die gevoerd moet worden. Hoe meer ik me richt op genot, hoe banger ik ben voor pijn. Hoe meer ik tracht goed te doen, hoe meer ik geobsedeerd wordt door het kwaad. Hoe meer succes ik wil hebben, hoe erger de vrees om te falen. Hoe meer ik mij vastklamp aan het leven, hoe verschrikkelijker de dood voor mij wordt.

Normaal pakken we dit soort problemen aan door te proberen om een van de tegenstellingen uit te wissen. We pakken het probleem ‘goed tegenover kwaad’ aan door proberen het kwaad uit te roeien. We pakken het probleem ‘leven tegenover de dood’  aan door te proberen de dood te verbergen onder allerlei symbolische onsterfelijkheden. Maar als je probeert te kiezen tussen twee kwaaien, dan kies je nog altijd een kwaaie.

We beschouwen een grens als echt, om dan de tegenstellingen die door de grens zijn ontstaan proberen te manipuleren. Het bestaan van de grens wordt bijna nooit in twijfel gebracht.

Een paar voorbeelden wil ik graag noemen:

In de westerse wereld beschouwt men het als een feit, een echte grens, dat nieuwjaar op 1 januari valt. Maar hoe feitelijk is zo’n feit? Is er hier sprake van feit of fantasie? Bestaat er wel zoiets als ‘1 januari’ of ‘nieuwjaar’?

Zintuigelijk kunnen deze dingen niet waargenomen worden en we kunnen ook niet bewijzen dat ‘nieuwjaar’, buiten de afspraak die we gemaakt hebben, echt bestaat. Toch accepteren alle rationele mensen en sommige ambtenaren zo’n concept, zo’n grens als waarheid. De vraag wordt dus of het acceptabel is, dergelijke verzonnen afspraken als feiten te aanvaarden.

Als er geen relatie bestaat tussen wat mensen onderling afspreken en de feitelijkheid van de werkelijkheid, is het dan nog wel mogelijk een scherp onderscheid te maken tussen feit en fantasie?

Zo bestaan grenzen tussen landen op een soort overeenstemming over ficties, want grenzen tussen landen bestaan in de werkelijkheid niet. Hoe dik zouden die dan zijn? Een meter dik? Een potloodstreep dik? Een speldeknop dik?

Op die plekken waar de grens loopt is niets te zien wat er op zou wijzen dat we te maken hebben met grenzen.  Alleen als je op de hoogte bent van de lokaal geldende afspraken daarover, dan bestaan die grenzen.

Dus als we verzinsels voor waar gaan aannemen dan zijn we ervan overtuigd dat we Nederlander, Surinamer, of Belg zijn. Wat dan iets heel anders is dan het zijn van een Marokaan, Duitser of Argentijn.

Landen bestaan alleen in ons hoofd. De wereldbol is dus geen verzameling landen. Het is een bol met veel water en met hier en daar wat aarde. Niks bijzonders dus. Eigenlijk zo doodnormaal dat geleerden vermoeden dat de aarde al vele malen aan een invasie van buitenaardsen is ontsnapt, omdat het zo’n buitengewoon saaie plek is.

Maar goed, ik dwaal af.

We geloven dat grenzen (in de ruimste zin van het woord) echt bestaan. Grenzen scheiden de tegenstellingen, waarvan we denken dat ze onverenigbaar zijn en elkaar nooit kunnen ontmoeten. God en Satan, leven en dood, goed en kwaad, etc. etc.

We denken dat het allemaal veel beter zou gaan als we alle negatieve en ongewenste polen (en dan bedoel ik niet die mannen in een busje) konden uitwissen. Als we pijn, kwaad, dood, lijden en ziekte zouden overwinnen, dan zou er overal goedheid, leven, vreugde en gezondheid heersen.

Het doel van dit scheiden van de tegenstellingen en het vastklampen aan de positieve helft (of in ieder geval het daarnaar streven) lijkt een karaktertrek te zijn van de westerse beschaving; haar religie, wetenschap, geneeskunde en industrie. Vooruitgang is goed beschouwd alleen maar een vooruitgang naar het positieve en weg van het negatieve. Toch is er verbazingwekkend genoeg, ondanks alle grote uitvindingen in de geneeskunde en de landbouw, niet het minste bewijs dat we na eeuwenlang het positieve te hebben benadrukt en het elimineren van het negatieve dat de mensheid ook echt gelukkiger of tevredener is geworden of meer vrede met zichzelf heeft.

Eigenlijk zien we dat juist het tegenovergestelde. Het heden is het tijdperk van de angst, van alom aanwezige frustratie en vervreemding, van verveling temidden van overvloed en zinloosheid temidden van rijkdom.

Jaja beste mensen, weet ik wel hoe ik de stemming erin kan brengen.

Overigens als men het over ‘westerse beschaving’ heeft, dan denk ik altijd meteen: ja, dat lijkt me een goed idee.

Grenzen bestaan doordat we dingen namen gaan geven. Maar meer dan beschrijven en definieeren kun je de dingen niet. Maar wanneer je eenmaal die eerste grenzen zodanig hebt getrokken dat de wereld zich voordoet als een verzameling gescheiden dingen, dan kun je er vervolgens veel leukere dingen mee gaan doen.

Je kan ze gaan tellen. Namen geven an dingen geeft macht over ze, maar getallen hebben zelfs nog een hogere macht. Een peer plus een peer zijn twee peren, maar een appel plus een appel is ook twee appels. Het getal twee is dus van toepassing op elke groep van twee dingen en moet dus op een of andere manier boven die dingen staan. Door middel van abstrakte lukte het de mens zich te bevrijden van konkrete dingen. En dat willen we allemaal. Vraag het de eerste beste manager maar eens.

Met getallen kon de mens een nieuw soort grens maken. En met deze nieuwe grens van de abstrakte getallen kon men uitstijgen boven de konkrete en tastbare wereld. En sindsdien leven we in twee werelden. Het konkrete tegenover het abstrakte, het ideale tegenover het reele, het universele tegenover het bijzondere.

En we geven getallen veel meer macht dan ze verdienen. Nergens is dit zo duidelijk als in het ultieme domein van het getal: de statistiek.

Mark Twain zei het al: er zijn leugens, grove leugens en statistieken.

En toch staan de kranten er dagelijks vol van en vertrouwen we op de macht van enkele getalletjes. En we durven er niet aan te twijfelen, want het is allemaal wiskundig onderbouwt. Maar klopt het ook allemaal?

Om een paar voorbeelden te geven:

Statistisch gezien is de kans miraculeus klein dat je in je eigen kleine stadje je ‘soulmate’ of je liefde van je leven gaat vinden. Relatie-experts schatten de kans dat je iemand ontmoet, tijdens je leven, met wie je op alle vlakken verbintenis hebt, spiritueel, intellectueel en lichamelijk, op ongeveer 1 op 2.3 miljard. En toch vinden jaarlijks, zelfs in de kleinste dorpen, honderden mensen elkaar zo.

Maar statistieken zijn uit te leggen hoe je het zelf wilt; het is al langer bekend dat het aantal overvallen elk jaar meer wordt. Dat kan wel zo zijn, maar de *kwaliteit* van de overvallen wordt steeds minder! Alsof ze er steeds meer met een Jantje van Leijden van af proberen te maken!

Maar ik probeer nu ook iets belangrijks over te brengen, de clou van dit hele verhaal, als het ware.

Discussies over grenzen en over wat goed is en wat slecht, of wat fout is en wat is goed hebben meestal twee (en nogal wankele) uitersten. Aan de ene kant heb je de relativisten, de postmoderne theoretici, die beweren dat realiteit is wat je er zelf van maakt. We kunnen eigenlijk nooit ergens zeker van zijn, we moeten open blijven voor andere zienswijzen en we moeten bedacht zijn op elke vorm van vermeende authoriteit. De extreme versie van het relativisme rechtvaardigd allerlei vormen van paranormale toestanden, samenzweringstheorieen en andere ideeen die weinig of niet gesteund worden door bewijzen (aanhangers van dit soort extreme ideen zijn overigens ook vaak vrijgezel, al snappen ze zelf niet waarom).

En aan de andere kant hebben we de aanhangers van het absolutisme. Dat zijn degenen die erop hameren dat feiten, feiten zijn en dan we onze tijd niet moeten verdoen met zaken die twijfelen aan reeds aanwezige kennis. Het is bijvoorbeeld een feit dat de hoeveelheid onzinnige kennis die de mensheid heeft, elke drie jaar verdubbeld.

Zoals ik al aan het begin probeerde duidelijk te maken zijn alle grenzen slechts afspraken, waarin we zijn gaan geloven dat ze ook echt bestaan. Dus we moeten zoeken naar een gulden middenweg. De mens (althans, een groot gedeelte daarvan) is een sociaal wezen. Alles wat we weten over deze wereld, elk getal, elk woord dat we gebruiken, elke gedachte die bij ons ontspringt, wordt gevormd door ons sociale leven. Iedereen die een kind heeft zien opgroeien weet dat we allemaal taal hebben moeten leren, en al doende leerden we de manieren waarop onze cultuur de wereld in hokjes opdeelt. Onderhand hebben we wel geleerd (maar soms wensen we dat te vergeten) dat er een enorme culturele verscheidenheid bestaat, dus ook een enorme hoeveelheid verschillende manieren hoe de werkelijkheid wordt uitgelegd.

Elke cultuur heeft zo zijn ideeen waarom mensen ziek worden, hoe netjes jonge vrouwen zich moeten gedragen, waarom er een God is etc. etc. En elke cultuur gelooft dat zijn ideeen en verwachtingen de correcte en de juiste zijn.

Om de wereld met al zijn grenzen te begrijpen moeten we beseffen dat alle kennis die er bestaat gefilterd wordt door de bril van een cultuur. Kortom, er moet plaats zijn voor relativisme, naast koude, harde feiten in de vorm van getallen en nummers.

Ik zou nog uren door kunnen gaan over dit onderwerp, maar ik heb voor mezelf ook een grens gesteld. Dat is het maximum aantal woorden per blog. En daar mag ik niet overheen gaan. Het enige, maar wel het belangrijkste wat ik nog wil zeggen, is….

Mensen die vaker mijn blog hebben gelezen (en ik bedank ze alle drie hartelijk…) weten ongeveer wel wat ze hier kunnen verwachten. De ene keer grote onzin en de andere keer, eigenlijk ook grote onzin. Men behandelt mij en mijn blog dan ook zoals ouders hun lieve, maar toch ietwat achterlijke, kind behandelen: met veel geduld.

Maar deze keer gaat het anders. Jawel, deze keer gaan we voor diepzinnige filosofie. Voor de verandering. Niet iedereen zal dat kunnen waarderen. En niet iedereen zal dat kunnen begrijpen. Zoals met zoveel zaken kunnen we dus hier ook weer de scheiding maken tussen degenen die het snappen en degenen die het niet snappen. De begrijpenden en de niet-begrijpenden. De sukkels en de niet-sukkels.

Hoort u dat? Wat ik net deed? Ik trek een grens, een scheidslijn.

Meteen gooi ik er mijn stelling maar in: een grens is per definitie een potentiele strijdlijn. Alleen al het trekken van een grens houdt in dat men zich voorbereidt op een konflikt. En dan hoofdzakelijk het konflikt van de tegenstellingen. De strijd van het leven tegen de dood, genot tegen pijn, goed tegen kwaad, dichter tegenover rijmelaarij. Als men de vraag stelt: ‘waar trek ik de grens?’ bedoelt men eigenlijk:’waar gaat de strijd plaatsvinden?’

Hoe vaster de grenslijnen liggen, hoe heviger de strijd die gevoerd moet worden. Hoe meer ik me richt op genot, hoe banger ik ben voor pijn. Hoe meer ik tracht goed te doen, hoe meer ik geobsedeerd wordt door het kwaad. Hoe meer succes ik wil hebben, hoe erger de vrees om te falen. Hoe meer ik mij vastklamp aan het leven, hoe verschrikkelijker de dood voor mij wordt.

Normaal pakken we dit soort problemen aan door te proberen om een van de tegenstellingen uit te wissen. We pakken het probleem ‘goed tegenover kwaad’ aan door proberen het kwaad uit te roeien. We pakken het probleem ‘leven tegenover de dood’  aan door te proberen de dood te verbergen onder allerlei symbolische onsterfelijkheden. Maar als je probeert te kiezen tussen twee kwaaien, dan kies je nog altijd een kwaaie.

We beschouwen een grens als echt, om dan de tegenstellingen die door de grens zijn ontstaan proberen te manipuleren. Het bestaan van de grens wordt bijna nooit in twijfel gebracht.

Een paar voorbeelden wil ik graag noemen:

In de westerse wereld beschouwt men het als een feit, een echte grens, dat nieuwjaar op 1 januari valt. Maar hoe feitelijk is zo’n feit? Is er hier sprake van feit of fantasie? Bestaat er wel zoiets als ‘1 januari’ of ‘nieuwjaar’?

Zintuigelijk kunnen deze dingen niet waargenomen worden en we kunnen ook niet bewijzen dat ‘nieuwjaar’, buiten de afspraak die we gemaakt hebben, echt bestaat. Toch accepteren alle rationele mensen en sommige ambtenaren zo’n concept, zo’n grens als waarheid. De vraag wordt dus of het acceptabel is, dergelijke verzonnen afspraken als feiten te aanvaarden.

Als er geen relatie bestaat tussen wat mensen onderling afspreken en de feitelijkheid van de werkelijkheid, is het dan nog wel mogelijk een scherp onderscheid te maken tussen feit en fantasie?

Zo bestaan grenzen tussen landen op een soort overeenstemming over ficties, want grenzen tussen landen bestaan in de werkelijkheid niet. Hoe dik zouden die dan zijn? Een meter dik? Een potloodstreep dik? Een speldeknop dik?

Op die plekken waar de grens loopt is niets te zien wat er op zou wijzen dat we te maken hebben met grenzen.  Alleen als je op de hoogte bent van de lokaal geldende afspraken daarover, dan bestaan die grenzen.

Dus als we verzinsels voor waar gaan aannemen dan zijn we ervan overtuigd dat we Nederlander, Surinamer, of Belg zijn. Wat dan iets heel anders is dan het zijn van een Marokaan, Duitser of Argentijn.

Landen bestaan alleen in ons hoofd. De wereldbol is dus geen verzameling landen. Het is een bol met veel water en met hier en daar wat aarde. Niks bijzonders dus. Eigenlijk zo doodnormaal dat geleerden vermoeden dat de aarde al vele malen aan een invasie van buitenaardsen is ontsnapt, omdat het zo’n buitengewoon saaie plek is.

Maar goed, ik dwaal af.

We geloven dat grenzen (in de ruimste zin van het woord) echt bestaan. Grenzen scheiden de tegenstellingen, waarvan we denken dat ze onverenigbaar zijn en elkaar nooit kunnen ontmoeten. God en Satan, leven en dood, goed en kwaad, etc. etc.

We denken dat het allemaal veel beter zou gaan als we alle negatieve en ongewenste polen (en dan bedoel ik niet die mannen in een busje) konden uitwissen. Als we pijn, kwaad, dood, lijden en ziekte zouden overwinnen, dan zou er overal goedheid, leven, vreugde en gezondheid heersen.

Het doel van dit scheiden van de tegenstellingen en het vastklampen aan de positieve helft (of in ieder geval het daarnaar streven) lijkt een karaktertrek te zijn van de westerse beschaving; haar religie, wetenschap, geneeskunde en industrie. Vooruitgang is goed beschouwd alleen maar een vooruitgang naar het positieve en weg van het negatieve. Toch is er verbazingwekkend genoeg, ondanks alle grote uitvindingen in de geneeskunde en de landbouw, niet het minste bewijs dat we na eeuwenlang het positieve te hebben benadrukt en het elimineren van het negatieve dat de mensheid ook echt gelukkiger of tevredener is geworden of meer vrede met zichzelf heeft.

Eigenlijk zien we dat juist het tegenovergestelde. Het heden is het tijdperk van de angst, van alom aanwezige frustratie en vervreemding, van verveling temidden van overvloed en zinloosheid temidden van rijkdom.

Jaja beste mensen, weet ik wel hoe ik de stemming erin kan brengen.

Overigens als men het over ‘westerse beschaving’ heeft, dan denk ik altijd meteen: ja, dat lijkt me een goed idee.

Grenzen bestaan doordat we dingen namen gaan geven. Maar meer dan beschrijven en definieeren kun je de dingen niet. Maar wanneer je eenmaal die eerste grenzen zodanig hebt getrokken dat de wereld zich voordoet als een verzameling gescheiden dingen, dan kun je er vervolgens veel leukere dingen mee gaan doen.

Je kan ze gaan tellen. Namen geven an dingen geeft macht over ze, maar getallen hebben zelfs nog een hogere macht. Een peer plus een peer zijn twee peren, maar een appel plus een appel is ook twee appels. Het getal twee is dus van toepassing op elke groep van twee dingen en moet dus op een of andere manier boven die dingen staan. Door middel van abstrakte lukte het de mens zich te bevrijden van konkrete dingen. En dat willen we allemaal. Vraag het de eerste beste manager maar eens.

Met getallen kon de mens een nieuw soort grens maken. En met deze nieuwe grens van de abstrakte getallen kon men uitstijgen boven de konkrete en tastbare wereld. En sindsdien leven we in twee werelden. Het konkrete tegenover het abstrakte, het ideale tegenover het reele, het universele tegenover het bijzondere.

En we geven getallen veel meer macht dan ze verdienen. Nergens is dit zo duidelijk als in het ultieme domein van het getal: de statistiek.

Mark Twain zei het al: er zijn leugens, grove leugens en statistieken.

En toch staan de kranten er dagelijks vol van en vertrouwen we op de macht van enkele getalletjes. En we durven er niet aan te twijfelen, want het is allemaal wiskundig onderbouwt. Maar klopt het ook allemaal?

Om een paar voorbeelden te geven:

Statistisch gezien is de kans miraculeus klein dat je in je eigen kleine stadje je ‘soulmate’ of je liefde van je leven gaat vinden. Relatie-experts schatten de kans dat je iemand ontmoet, tijdens je leven, met wie je op alle vlakken verbintenis hebt, spiritueel, intellectueel en lichamelijk, op ongeveer 1 op 2.3 miljard. En toch vinden jaarlijks, zelfs in de kleinste dorpen, honderden mensen elkaar zo.

Maar statistieken zijn uit te leggen hoe je het zelf wilt; het is al langer bekend dat het aantal overvallen elk jaar meer wordt. Dat kan wel zo zijn, maar de *kwaliteit* van de overvallen wordt steeds minder! Alsof ze er steeds meer met een Jantje van Leijden van af proberen te maken!

Maar ik probeer nu ook iets belangrijks over te brengen, de clou van dit hele verhaal, als het ware.

Discussies over grenzen en over wat goed is en wat slecht, of wat fout is en wat is goed hebben meestal twee (en nogal wankele) uitersten. Aan de ene kant heb je de relativisten, de postmoderne theoretici, die beweren dat realiteit is wat je er zelf van maakt. We kunnen eigenlijk nooit ergens zeker van zijn, we moeten open blijven voor andere zienswijzen en we moeten bedacht zijn op elke vorm van vermeende authoriteit. De extreme versie van het relativisme rechtvaardigd allerlei vormen van paranormale toestanden, samenzweringstheorieen en andere ideeen die weinig of niet gesteund worden door bewijzen (aanhangers van dit soort extreme ideen zijn overigens ook vaak vrijgezel, al snappen ze zelf niet waarom).

En aan de andere kant hebben we de aanhangers van het absolutisme. Dat zijn degenen die erop hameren dat feiten, feiten zijn en dan we onze tijd niet moeten verdoen met zaken die twijfelen aan reeds aanwezige kennis. Het is bijvoorbeeld een feit dat de hoeveelheid onzinnige kennis die de mensheid heeft, elke drie jaar verdubbeld.

Zoals ik al aan het begin probeerde duidelijk te maken zijn alle grenzen slechts afspraken, waarin we zijn gaan geloven dat ze ook echt bestaan. Dus we moeten zoeken naar een gulden middenweg. De mens (althans, een groot gedeelte daarvan) is een sociaal wezen. Alles wat we weten over deze wereld, elk getal, elk woord dat we gebruiken, elke gedachte die bij ons ontspringt, wordt gevormd door ons sociale leven. Iedereen die een kind heeft zien opgroeien weet dat we allemaal taal hebben moeten leren, en al doende leerden we de manieren waarop onze cultuur de wereld in hokjes opdeelt. Onderhand hebben we wel geleerd (maar soms wensen we dat te vergeten) dat er een enorme culturele verscheidenheid bestaat, dus ook een enorme hoeveelheid verschillende manieren hoe de werkelijkheid wordt uitgelegd.

Elke cultuur heeft zo zijn ideeen waarom mensen ziek worden, hoe netjes jonge vrouwen zich moeten gedragen, waarom er een God is etc. etc. En elke cultuur gelooft dat zijn ideeen en verwachtingen de correcte en de juiste zijn.

Om de wereld met al zijn grenzen te begrijpen moeten we beseffen dat alle kennis die er bestaat gefilterd wordt door de bril van een cultuur. Kortom, er moet plaats zijn voor relativisme, naast koude, harde feiten in de vorm van getallen en nummers.

Ik zou nog uren door kunnen gaan over dit onderwerp, maar ik heb voor mezelf ook een grens gesteld. Dat is het maximum aantal woorden per blog. En daar mag ik niet overheen gaan. Het enige, maar wel het belangrijkste wat ik nog wil zeggen, is….